De tegenstanders van Immanuel Kant
Met Kant was iedereen het niet eens die zich halsstarrig vasthield aan de oude dogmatische metafysica* of aan het oude kerkgeloof. Voor de geschiedenis van de filosofie zijn de personen die zakelijk op Kants stellingen ingaan en ze dan bestrijden natuurlijk belangrijker Dit zijn voornamelijk drie mannen (2 oorspronkelijk Oost-Pruisische landgenoten van Kant maar alledrie persoonlijk met hem bevriend), die onder de naam van 'geloofsfilosofen' worden samengevat, dit slaat erop dat ze alledrie een beroep doen op het geloof.
De eerste was Johann Georg Hamann (1730-1788), hij was een van de woordvoerders in de strijd tegen het rationalisme en wat hij aan Kant verwijt is dat juist hij niet boven dit rationalisme uitkomt terwijl hij zo streng christelijk was toen hij jong was. Kant heeft hiervan (het geloof) zoals vele filosofen 'last' gehad. Johann richtte zich vooral tegen de scheiding van ons kenvermogen in de twee gebieden redelijkheid en zinnelijkheid. Om deze scheiding te overbruggen wees hij op de taal, waarin de rede een zinnelijke existentie (bestaansvorm) verkrijgt.
De tweede van de geloofsfilosofen was Friedrich Heinrich Jacobi (1743-1819), hij was een veelzijdig ontwikkeld, invloedrijk schrijver, die Rousseau in Genève had bestudeerd, die de wijsbegeerte van Spinoza en Kant door en door kende. In verband met een kritische waardering van Kant zei hij: 'Er ontbrak nog een 'Kritiek van taal' die een metakritiek van de rede zou zijn en ons ten aanzien van de metafysica allen eens van zin zou maken.
De derde van de geloofsfilosofen, die in invloed de beide andere verre overtreft is Johann Gottfried Herder (1774-1803), Herders belangrijkste geschriften zijn: 'Ideeën tot de wijsbegeerte van de geschiedenis der mensheid', ' Brieven tot bevordering van de humaniteit', Verstand en ervaring, rede en taal, een metakritiek tot de Kritiek van de zuivere rede'.
De levensloop van Immanuel Kant
Immanuel Kant werd geboren op 22 april 1724 in Koningsbergen, Duitsland (Nu Kalingrad in Rusland.) Zijn vader was zadelmaker van Schotse komaf, en zijn moeder was een weinig opgeleidde maar intelligente Duitse vrouw. Het geloof dat het gezin aanhing was dat van het strenge Lutherse piëtisme, dat een eenvoudig leven met een sterk geloof in de moraal voorschreef. Kant werd in 1740 student theologie aan de universiteit van koningsbergen en begon aan zijn eerste boek(over natuurkunde) toen hij nog maar twintig jaar oud was. Zes jaar later ging een academische aanstelling aan hem voorbij en voelde hij zich genoodzaakt om als privé-leraar voor rijke families te gaan werken. Dit heeft hij vijftien jaar gedaan maar het was geen ongelukkige tijd voor hem. Hij kwam door dit werk in aanraking met de stad en dit gaf hem de mogelijkheid om voor hem 'exotische' reizen te maken. Zij verste reis was 0naar Arnsdorf (deze plaats lag ongeveer op 100 kilometer afstand van Koningsbergen.) Het was niet reizen maar lezen wat Kants blikveld verruimde. Ook al was hij maar ruim anderhalve meter groot in de collegezaal was een ware sensatie. Hij was van nature een onderhoudend spreker, hij maakte tussen zijn lezingen door grapjes en noemde literaire verwijzingen en doceerde met succes over elk onderwerp, van de natuurkunde van Newton tot vuurwerk en de vorm van de aardkorst. Hij kreeg een professoraat in de letterkunde aangeboden aan de universiteit van Berlijn maar wees deze baan af omdat hij een rustig leven wilde leiden in zijn woonplaats waarop hij zo gesteld was. Zijn rust en kalmte werden al genoeg verstoord door de vele jonge filosofen en regeringsvertegenwoordigers die naar Koningsbergen reisden om zijn wijsheden te horen. Toch wist hij zijn gewoonte om elke dag een wandeling van een uur te maken samen met zijn huisknecht (die hij op hoge leeftijd ontsloeg op verdenking van fraude) vol te houden zodat de mensen hun klok gelijk konden zetten op de momenten waarop hij in hun straat verscheen. Zijn favoriete straat is naar hem vernoemd: “ De wandeling van de filosoof”. Maar één keer werd hij ‘gemist’. Hij zei dat hij Rousseaus boek Émile zo boeiend vond dat hij haar in een keer wilde uitlezen en daarom was thuis gebleven. In 1755 ging Kant terug naar de universiteit van Koningsbergen om er zijn doctorsgraad te halen. Een jaar later ging hij er lesgeven. Door David Hume wordt hij uit zijn ‘dogmatische sluimer’ (zie verderop in dit werkstuk) waardoor hij dan zijn belangrijkste werk schrijft: Allgemeine Naturgeschichteund Theorie des Himmels. In 1781 kwam kant met een nieuwe filosofie, die noemde hij de ‘transcendentale kritiek’. Zoals dat bij zo veel filosofen gebeurde brachten zijn controversiële religieuze overtuigingen hem in moeilijkheden. Nadat hij in 1793 De religie binnen de grenzen van de enkele rede publiceerde waarin hij twijfelde aan de traditionele christelijke leerstellingen, droeg koning Frederik-Wilhelm II hem op om te stoppen met schrijven over en lesgeven in religieuze aangelegenheden. Kant gehoorzaamde dit bevel, in ieder geval tot de koning dood was. Maar veel tijd had hij daarna niet meer om zijn werken te kunnen herzien. Kant stierf op 12 februari 1804 in zijn geboorteplaats. Op zijn grafsteen staat geschreven: “De met sterren bezaaide hemel boven mij en de morele wet in mij. Dit zijn de twee dingen waarvan hij schreef dat ze ’de geest steeds opnieuw vervullen van groeiende bewondering en ontzag, hoe vaker en dieper we erover nadenken.’
De Duitse verlichting
De Duitse verlichting begon ongeveer 1650 en eindigde rond 1800. De verlichting van Duitsland was anders dan die van de rest van Europa, want er waren tussen niemand conflicten en er waren geen religieuze conflicten. Er zijn drie personen erg belangrijk voor de Duitse verlichting, namelijk: Gottfried Wilhelm Leibniz, Immanuel Kant, Johann Wolfgang von Goethe.
-Leibniz was een wiskundige, natuurkundige, logicus, historicus en natuurlijk filosoof. Hij baseerde zijn ideeën op Metafysica. Hij word gezien als de voorloper van de Duitse Verlichting.
-Immanuel Kant was een 18e eeuws filosoof die in zijn boek Kritik der reinen Vernunft uitlegde dat iedereen is geboren met ervaring. Tijdens de Duitse Verlichting had hij een belangrijke rol in het tegengaan van het empirisch idee van de Franse Verlichting.
- Johann Wolfgang von Goethe was voor optimisme van de jongeren in zijn tijd. Zijn boek was zo invloedrijk dat veel jongeren zelfmoord wouden plegen naar zijn woorden. Een ander werk genaamd Faust, hield de Duitse verlichting invloedrijk te zijn in de Europese Verlichting.
De verlichting is de naam die gebruikt wordt om een politieke en filosofische beweging aan te duiden die de opvattingen over politiek, filosofie, wetenschap en religie binnen de westerse wereld grondig wijzigde. Het was een reactie op het dogmatische autoriteitsgeloof. De verlichting kent een kritische en een constructieve zijde. De kritische zijde bekritiseert (geïnstitutionaliseerd) geloof en onredelijkheid. De constructieve kant gaat over het zoeken naar nieuwe kennis (wetenschap) en nieuwe samenlevingsvormen met als idealen rechtvaardigheid, democratie en mensenrechten. Het is niet mogelijk om het exacte begin en einde ervan aan te duiden, maar ruwweg duurde de verlichting van 1650 tot de Franse Revolutie (eind 18e eeuw). Men spreekt ook van de Eeuw van de Rede. Wanneer de verlichting niet als een periode, maar als een proces wordt opgevat, strekt haar invloed zich ook na deze periode uit.
Zijn echte naam was Gottfried Wilhelm Leibniz. Hij is geboren in Leipzig op 1 Juli 1646, en overleden in Hamburg op 14 November 1716. Hij was een Duitse wiskundige, filosoof natuurkundige etc. Hij werd beschouwd als een van de grootste denkers uit de 17e eeuw. Leibniz staat bekend als voorloper van de Duitse verlichting, hij word gezien als rationalist (filosofisch denksysteem).
Johan Wolfgang Von Goethe is geboren in Frankfurt op 28 Augustus 1749, en is overleden in Weimar op 22 Maart 1832. Hij was een Duits wetenschapper, toneelschrijver, romanschrijver, filosoof etc. Hij was schrijver van de boeken: Faust, Leiden des jungen Werthers, Zur fabenlehre, Gutz von belichingen, door dit werk werd hij beroemd. In 1782 werd hij in adelstand verheven.